“Alfred Schutz, phenomenology and research methodology for information behaviour research” - T.D. Wilson
Central issue: “Over recent years more attention has been devoted to research methods than to the underlying methodological principles of different research frameworks. I believe that Schutz’s attempts to create a phenomenological sociology provide us with a useful framework to guide research into people’s information behavior [1] and, thereby, to guide us to the choice of appropriate methods.” (TDW, p.10-11)
Methodology
> “(…) provides the philosophical groundwork for methods.” (TDW, p.7)
> “To state one’s methodological position is to describe one’s view of the nature of reality (…).” (ibid.)
(Husserl)
Phenomenology = “(…) to study how human phenomena are experienced in consciousness, in cognitive and perceptual acts, as well as how they may be valued or appreciated aesthetically.”
(ie. “(…) seeks to understand how persons construct meaning (…)”) (TDW, p.1)
> implies understanding the phenomena in the ‘lived’ context
> intersubjectivity: “(…) we experience the world with and through others.” (ibid.)
(Schutz)
“(…) in the social sciences, one is dealing with ‘research objects’ that are themselves interpreting the social world that we, as scientist, also wish to interpret. People are engaged in an on-going process of making sense of the world, in interaction with their fellows and we, as scientists, are seeking to make sense of their sense-making.” (TDW, p.3)
> developing of models of human action (postulates of: logical consistency, subjective interpretation and adequacy[2])
“(…) knowledge is derived from people’s practical experience of the world.” (TDW, p.4)
> Social distribution of knowledge according to type (classification based on system of relevance: ‘man on the street’, ‘the citizen who aims at being well-informed’, ‘the expert’)
> “Clearly, most people, and perhaps all people, exemplify these different types at different times and in different circumstances.” (TDW, p.5)
> Sources of socially-acquired knowledge (eyewitness, insider, analyst, commentator [3])
» Characteristics of phenomenological research:
- Within phenomenological research “(…) the mode of analysis will vary, of course according to the theoretical perspective of the researcher, or (…) the theoretical perspective that arises out of the data.” (TDW, p.8)
- “(…) phenomenology is not a hypothesis testing mode of research, (…) nor is it one that must be guided by theoretical models. Rather, one is urged to get as close as possible to what the participants in the behavior of interest are experiencing.” (TDW, p.9)
[1] “‘Information behavior’ is the currently preferred term used to describe the many ways in which human beings interact with information, in particular, the ways in which people seek and utilize information. Information behavior is also the term of art used in library and information science to refer to a sub-discipline that engages in a wide range of types of research conducted in order to understand the human relationship to information.” (Bates, Marcia J. (2010) Information Behavior In Encyclopedia of Library and Information Sciences, 3rd Ed. Marcia J. Bates and Mary Niles Maack, Eds. New York: CRC Press, vol. 3, pp. 2381-2391.)
[2] This last postulate can serve to formulate a remark concerning the following quote in the text: “(…) the social scientist assumes the position of the disinterested observer. Her or she is not involved in the life of those observed (…).” (TDW, p.3)
The postulate of adequacy dictates that “(…) the constructs created by the researcher should be understandable by the individual social actor and his/her fellows. Compliance with this postulate ensures that the scientific constructs are consistent with the constructs of common-sense experience of the social world.” (TDW, p.3-4)
I would like to elaborate on this by quoting from my own previous work (in dutch):
Pedagogiek, een bijzondere wetenschap
“Het is niet juist, te stellen dat we onze beschrijvingen veranderen en dat als een gevolg daarvan onze ervaring zich wijzigt. Eerder is het zo dat bepaalde wijzen van ervaren niet mogelijk zijn zonder bepaalde wijzen van zelfbegrip. Juist omdat deze articulaties vorm geven engageren ze onze verantwoordelijkheid, terwijl objectieve beschrijvingen van wat we verlangen dit niet doen. Zo blijken we verantwoordelijk voor wat we doen én voor wie we zijn. We worden ook steeds tot een radicale re-evaluatie van onze waarderingen gedwongen, omdat geen ervan gezien wordt als voor eens en voor altijd vastgelegd.”
(Smeyers, 2000, p. 41)
In wat volgt wil ik de aangeduide tegenstellingen verder aan de kaak stellen en onderzoeken wie de pedagoog is en wat hij doet door een wetenschapsfilosofische benadering weer te geven van de pedagogiek, haar onderzoeksobject en de wisselwerking tussen beide voor te stellen. Om de bijzondere wisselwerking tussen de pedagogiek en haar onderzoeksobject – datgene wat in wezen de sociale wetenschappen in het algemeen karakteriseert – niet enkel in een abstract, maar ook in een concreet beeld te kunnen uitdrukken, zal ik gebruik maken van een voorstelling van de publieke ruimte en het menselijke handelen dat zich daarin voltrekt zoals ontwikkeld door Verschaffel. Ik zal trachten uiteen te zetten waarom dit beeld van toepassing is op de sociale wetenschappen, de pedagogiek in het bijzonder. Hierdoor zal duidelijk worden dat de sociale wetenschappen – integenstelling tot de natuurwetenschappen – op een bijzondere manier deel uitmaken van hun onderzoeksdomein, dat hun onderzoek hierdoor nooit ten einde is en dat de waarachtigheid van hun observaties daarom bijzonder tijdelijk en relatief is, doch in geen geval zinloos en waardeloos. Het beeld dat Verschaffel presenteert is het volgende: “Moderne burgerlijke samenlevingen hebben het sociale leven verdeeld in verschillende velden die elk hun officiële logica en hun specifieke doel hebben. (…) De autonomie van deze velden is relatief en moet steeds worden onderhandeld met belendende of overlappende velden. Zij is tot op zekere hoogte een fictie, maar zij opent telkens wel een speelveld waarbinnen een welbepaalde logica geldt. Deze logica bepaalt waarop men zich, met uitsluiting van ándere argumenten, mag beroepen. De spellogica is steeds opgelegd en werkt alsof, want binnen elk veld werken de facto steeds ándere krachten en motivaties. De opgegeven redenen en doelen zijn altijd dekmantels en excuses. (…) De zaak is echter dat men binnen het spel die feitelijk werkzame redenen niet kan inroepen. Men moet ze tenminste kunnen verstoppen en daar bovenop geloofwaardige argumenten bedenken die gelden binnen het spel. (…) In de westerse burgerlijke cultuur wordt het bestaan van deze autonome velden verzekerd door ze te institutionaliseren: ze zijn het voorwerp van wetsregels en beroepscodes en ze worden verbonden met posities en ambten of verantwoordelijkheden.” (Verschaffel, 2004, p. 5)
De wetenschap kan terecht als een autonoom veld binnen de samenleving worden beschouwd. Een argument voor deze stelling zit in het karakter van de menswetenschappen. Gesteld kan worden dat de menswetenschappen zich onderscheiden van de praxis, die het primaire object van hun onderzoek is, door hun gerichtheid op een zekere vorm van abstractie van de werkelijkheid die ze onderzoeken. Een gerichtheid die ze overigens delen met de natuurwetenschappen. Dat de menswetenschappen zich echter op een eigenaardige manier verhouden ten aanzien van de natuurwetenschappen en de wetenschap in het algemeen, is een vaststelling waar niet om heen gegaan kan worden. Het onderzoeksdomein van menswetenschappen is namelijk het publieke domein met haar vele velden, zoals beschreven door Verschaffel, en bevat daarom tevens de niet of minder zichtbare ‘krachten en motivaties’ die op het menselijk handelen – de sociale praxis – binnen dit publieke domein inwerken.
Het menselijke handelen verhoudt zich hierbij als een reactie ten aanzien van het door het individu geïnterpreteerde handelen van andere individuen. De kennis, verworven uit de discipline van de menswetenschappen, leidt tot de bestendiging of hervorming van het begrip van dit menselijk handelen aanwezig bij het individu. Op deze manier beïnvloeden de menswetenschappen – al dan niet rechtstreeks – interpretatie van het handelen en dus het handelen zelf. Zo maken de menswetenschappen als domein binnen de werkelijkheid zelf deel uit van de werkelijkheid die ze trachten te bestuderen.
Het unieke aspect van de menswetenschappen houdt met andere woorden verband met de vaststelling van Taylor dat “de wijze waarop wij onszelf interpreteren ten dele constitutief is voor onze ervaring”, omdat “bepaalde wijzen van ervaren niet mogelijk zijn zonder bepaalde wijzen van zelfbegrip”. (Smeyers, 2000, p. 41)Een uitspraak die aansluit bij Quine’s betekenisholistische visie op wetenschap. “De inhoud of betekenis van een individuele term of uitspraak bestaat volgens hem [Quine] niet uit de simpele verwijzing naar een ding of feit zelf, maar vloeit voort uit het geheel van samenhangende uitspraken van de theorie. De consequentie daarvan is dat als een theorie radicaal verandert, ook de betekenis van de gebruikte termen – zelfs die van termen die naar waarneembare zaken of gebeurtenissen verwijzen – kan veranderen. We zijn er daarom niet zeker van dat die termen voor en na theorieverandering nog wel naar dezelfde dingen of feiten verwijzen. Radicale verandering van theorieën gaan met andere woorden gepaard met een verandering van de ontologie, met een verandering van datgene wat er volgens die theorie en degene die haar accepteren bestaat.” (Leezenberg & de Vries, 2005a, p. 86)
Leezenberg en De Vries stellen dat de consequentie van Quine’s uitspraak tegen-intuïtief is indien benaderd vanuit alledaags taalgebruik. Tot op zekere hoogte lijken zij te stellen dat dit ook geldt wanneer de kentheoretische erkenning van het bestaan van een noumenale werkelijkheid buiten menselijke waarneming en interpretatie in beschouwing wordt genomen. Desalniettemin is het hun overtuiging dat deze tegen-intuïtieve gedachte en de uitwerkingen hiervan aan de basis liggen voor het ontstaan en de ontwikkeling van de geestes- en menswetenschappen. (Leezenberg & De Vries, 2005b) Dit betekent dat de menswetenschappers zich genoodzaakt zullen zien de uitspraak van Taylor (en zo ook de gedachte van Quine) als basispremisse te onderschrijven, indien zij recht willen doen aan de eigenheid van hun onderzoeksobject. Wetenschappelijk onderzoek van het menselijke handelen dat interpretatie veronachtzaamd en dus enkel uiterlijk gedrag onderzoekt en beschrijft zonder oog te hebben voor betekenisverlening, lijkt niet in te zien dat wetenschap zelf het toonvoorbeeld is van betekenisverlening in en door menselijk handelen. Zulke wetenschap levert, aldus Taylor, ongeloofwaardige theorieën op die hoogstens behandelen “wat voor iedereen reeds duidelijk en vanzelfsprekend is”. (Smeyers, 2000, p. 39) Dit verdient verdere toelichting.
“Normale wetenschap wordt gekenmerkt door een verregaande overeenstemming onder de beoefenaars van een specifiek vakgebied. (…) Zodoende wordt normale wetenschap volgens Kuhn beheerst door wat hij een paradigma noemt. (…) In deze brede zin omvat een paradigma het geheel van theoretische en methodologische begrippen, overtuigingen en verwachtingen, en zelf metafysische veronderstellingen en wetenschappelijke waarden, dat een gemeenschap van vakgenoten erop nahoudt. (…) In deze bredere zin komt het begrip paradigma in de buurt van conceptueel kader, wereldbeeld, of wat specifieker, van een globale opvatting over wat wetenschap, en met name goede wetenschap, uitmaakt. (…) Naast deze beheersing door een paradigma heeft normale wetenschap volgens Kuhn nog een ander belangrijk kenmerk. Anders dan Popper het voorstelt proberen de wetenschappers die erin werken niet om enige theorie te weerleggen, maar integendeel juist om de bestaande theorieën in meer detail uit te werken en te verfijnen. (…) Het heeft (…) geen enkele zin om bij het eerste het beste probleemgeval of tegenvoorbeeld je theorie maar op te geven: we hebben nu eenmaal niets beters voorhanden. (…) Anomalieën kunnen leiden tot nieuwe ontdekkingen, die men zal proberen in het bestaande paradigma in te passen. Het kan echter voorkomen dat zulke anomalieën langdurig weerstand blijven bieden aan pogingen tot inpassing in de bestaande theorie, of dat zich steeds nieuwe anomalieën voordoen. In zulke omstandigheden kan er gevoel van crisis ontstaan, ofwel een wijdverbreid en onbehaaglijk gevoel dat er iets wezenlijk mis is met het bestaande paradigma. (…) een nieuw paradigma zal pas de overhand krijgen wanneer het een elegante en veelbelovende oplossing geeft voor de anomalieën van zijn concurrent.”
(Leezenberg & de Vries, 2005a, pp. 90-93)
Ongeacht hun verschillende overtuigen zijn heel wat wetenschapsfilosofen het er over eens dat de wetenschap een domein is binnen de samenleving waar aan betekenisverlening wordt gedaan. Denkers als Kuhn en Popper vullen de gedachte dat de wetenschap een zo getrouw mogelijke beschrijving van of verklaring voor gebeurtenissen in de werkelijkheid tracht te geven aan met de idee dat ze om dit doel te bereiken een zo breed mogelijke verspreiding probeert te verwezenlijken. Of het nu gaat om verificatie en verfijning of falsificatie en herwerking; het beoefenen van wetenschap blijkt ten dele te bestaan uit het over de tong laten rollen van ideeën en theorieën om deze vervolgens met zoveel mogelijk eens- en andersgezinde individuen te bediscussiëren.
Deze verbalisatie en verspreiding is een belangrijk aspect binnen het domein van de menswetenschappen. Integenstelling tot Kuhn, meen ik dat de beperkte verspreiding van het wetenschappelijk paradigma, met name enkel onder wetenschapsbeoefenaars, vrijwel onmogelijk is binnen de menswetenschappen. “In de menswetenschappen streeft men, aldus Wittgenstein, een inzicht na in de inhoud en het waarom van onze handelingen. Het begrijpen dat dat oplevert moet dan ook gelijkaardig zijn aan het begrijpen dat in die praxis zelf aanwezig is (Winch, 1958/1990, p. 89 ev.)” (Smeyers, 2000, pp. 38-39) Wetenschappers die opereren binnen dit domein en aandacht hebben voor het proces van betekenisverlening – dat immanent aanwezig is in het menselijke handelen – zullen zich dus genoodzaakt zien om hun theoretische uitwerkingen eveneens voor te leggen aan de personen die zij onderzochten. Daar betekenisverlening een proces is dat zich in voorname mate aan het oog onttrekt, zijn de onderzochte personen zelf immers de enigen die kunnen verifiëren of de beschrijvingen van het proces enig hout snijden.
Deze feedbackloop in combinatie met de stelling van de Taylor bezorgt de menswetenschappen haar unieke positie. Het voorleggen van de ontwikkelde theorieën zet namelijk aan tot denken; los van het feit of die theorieën al dan niet nieuwe inzichten bevatten voor de onderzochte personen. Dit denken houdt een interpreteren van het Zelf in. Een interpretatie die dezelfde kan zijn als voorheen, of die door gewijzigde omstandigheden (zoals de deelname aan een wetenschappelijk onderzoek of het lezen van het onderzoeksrapport) in meerder of mindere mate kan verschillen van de oorspronkelijke interpretatie van het Zelf die in het betreffende onderzoek voorop stond. De impact van zo een gewijzigde interpretatie kan—benaderd vanuit Taylors stelling—dermate ingrijpend zijn dat ze pogingen tot verificatie of falsificatie van de theorieën net onmogelijk maakt of ze bij voorbaat tot onnauwkeurigheid, onvolledigheid of complete incorrectheid veroordeelt. Deze paradoxale positie maakt van theorievorming binnen de menswetenschappen een tentatief gebeuren. Enige bescheidenheid en nederigheid mag zelfbewuste wetenschappers binnen dit domein dus niet vreemd zijn.
Het bedrijven van wetenschap is zodoende niet enkel een voorbeeld bij uitstek van betekenisverlening, maar ook van menselijk handelen. Het verloop en de inhoud van wetenschappelijk onderzoek wordt net als het menselijk handelen mede bepaald door twee factoren, meerbepaald: het aanwezige zelfbegrip en het heersende paradigma. Het verband tussen Taylors notie ‘zelfbegrip’ en Kuhns notie ‘paradigma’ kan verduidelijkt worden aan de hand van het eerder aangehaalde beeld van het handelen in de publieke ruimte ontwikkeld door Verschaffel. Het zelfbegrip is dan waar Verschaffel het over heeft wanneer hij spreekt over ‘onzichtbare krachten en motivaties’, terwijl het paradigma gelijkgesteld kan worden aan wat Verschaffel de spellogica noemt. Als deze gelijkschakeling opgaat dan kan op basis van Verschaffel’s beeld van het handelen in de publieke ruimte gesteld worden dat zowel binnen de samenleving die de wetenschapper onderzoekt, als binnen het wetenschapsveld dat hij betreedt, het zelfbegrip en het paradigma elkaar kunnen beïnvloeden en overlappen, doch niet noodzakelijkerwijs met elkaar samenvallen.
“De methode van elke wetenschap bestaat erin, oplossingspogingen voor haar problemen te ondernemen.”
(Smeyers & Levering, 2000, p. 13)
Wat het bedrijven van de wetenschap door de menswetenschappers, en dus ook de pedagoog, tot een bijzondere vorm van menselijk handelen maakt is het feit dat het kenbaar maken van het resultaat van hun onderzoek niet de enige, en zeker niet de eerste interactie is met Andere individuen. Net zoals in elke wetenschap het geval is vangt het werk van de menswetenschappers aan bij het vaststellen van een probleem. De probleemstelling is een constructie op basis van een interpretatie van de wetenschappers, of ook: een beoordeling van de werkelijkheid. Het is mogelijk te stellen dat de eerste handeling van de menswetenschapper – die tenslotte een reactie is op het handelen van Anderen – het problematiseren van een bepaalde situatie is. Dit ongeacht het feit dat de menswetenschapper zijn probleemstelling zal moeten voorleggen aan dan nog te onderzoeken personen en pas daar in interactie treedt.
Het handelen van de pedagoog als wetenschapper blijkt dus van bij aanvang te berusten op diens beoordelingsvermogen. Wat betreft de pedagogiek wordt dit oordeel mede ingegeven door de heersende paradigma’s binnen de pedagogische wetenschappen en binnen de samenleving. Deze heersende paradigma’s bepalen in voorname mate wat respectievelijk ‘goede wetenschap’ en ‘goede ontwikkeling en opvoeding’ is. Als onderzoeker binnen een bepaald onderzoeksveld geeft de pedagoog zo reeds bij het ontwikkelen van een probleemdefinitie blijk van een zekere bevooroordeeldheid. Zijn oordeel berust immers op het dominante oordeel binnen de pedagogische wetenschappen over “welke vragen geldig zijn en de criteria waaraan hun beantwoording moet voldoen”. (Smeyers, 2000, p. 46) Het paradigma dat men aanhangt is bepalend voor de validiteit van het instrumentarium, de onderzoeksmethodieken en de onderzoeksresultaten. De schijnbare ‘objectiviteit’ is dus in werkelijkheid eerder ‘subjectiviteit’. Tevens berust de probleemstelling ook op een oordeel van de samenleving en pedagogische wetenschappen over “de verantwoording van wat op een bepaalde wijze is, maar waarvan men aanneemt dat het ook anders had kunnen zijn”. (Smeyers, 2000, p. 47)
De aanname dat het ook anders had kunnen zijn – en dat in de toekomst mogelijks daadwerkelijk zal zijn – lijkt evenwel niet enkel ingegeven te zijn door de paradigma’s. Deze gedachte kan namelijk ook beschouwd worden als een rudimentaire verwoording van het zelfbegrip van de menswetenschappers. De vereenvoudigde bewoording verhult evenwel het feit dat het zelfbegrip haar lading op twee niveaus dekt. Met de verwijzing naar datgene wat anders had kunnen zijn wordt immers gedoeld op het menselijke handelen; dat wat zowel object is van het onderzoek van de menswetenschappers, als waartoe het handelen van de menswetenschappers als onderzoekers zelf behoren. Of nog: als deel van hun onderzoeksdomein kunnen de menswetenschappers zichzelf dus onder beschouwing nemen en dit op twee manieren.
Zodoende omvat het zelfbegrip van de menswetenschappers enerzijds de initiële interpretatie van het menselijke handelen verricht door henzelf. Met het oog op het paradigma evalueren zij of hun handelen al dan niet beantwoordt aan de verwachtingen van het veld waarbinnen ze zich bewegen, zijnde de menswetenschappen en de samenleving. Dit gedeelte van het zelfbegrip impliceert een oordeel over de validiteit en overlapt dus met het gehanteerde paradigma. Dit is niet onbelangrijk, daar het paradigma of de spellogica tenslotte datgene is wat in Verschaffels voorstelling de ruimte doet ontstaan waarin sociale interactie als menselijke handeling mogelijk wordt. Dit zelfonderzoek houdt dus een erkenning in van paradigma’s als noodzakelijke basis voor sociale interactie.
Anderzijds omvat het zelfbegrip van de menswetenschappers interpretaties op een niveau dat de directe terugkoppeling naar de publieke ruimte overstijgt. Op dit niveau worden heersende paradigma’s kritisch benaderd. Er wordt overwogen of het handelen ook tot een andere paradigma kan behoren en of het heersende paradigma en het overeenstemmende handelen een afdoend antwoord kunnen bieden op hetgeen zich voltrekt in de publieke ruimte. Hier voeren de menswetenschappers dus een zelfonderzoek uit dat in essentie overeenstemt met het onderzoek dat zij op Anderen uitvoeren. De menswetenschappers worden waarlijk tot hun eigen onderzoeksobject, waarbij hun handelen ten aanzien van de Anderen onder de loep wordt genomen. Er kan daarom sprake zijn van een metaniveau in het zelfbegrip van de menswetenschappers.
Menswetenschappers – en dus ook pedagogen – die hun rol als wetenschappers ernstig nemen stellen niet enkel ten aanzien van situaties in de samenleving, maar ook ten aanzien van hun eigen aandeel in deze situatie de vraag ‘of de zaken niet anders kunnen zijn’. Een vraag zonder dewelke wetenschappelijk onderzoek in zeker zin een zinloze onderneming zou zijn. Het is immers enkel datgene wat nog niet mogelijk is – het andere – dat mogelijk kan worden. (Derrida, Comme Si c’était possible, 1998, p. 515) Het is slechts door de vraag te stellen naar het andere, het onmogelijke, dat nieuwe oplossingsmogelijkheden kunnen gevonden worden.
(Vlieghe, J. (2010) De paradox van seksuele vrijheid, openheid en tolerantie – Een wijsgerig-pedagogische analyse van seksualiteit en de rol van seksuele opvoeding en de pedagoog als deskundige)
[3] “(…) someone who does not share my system of relevances, but who has collected information in the same way as the analyst and has presented that information in such a way that I can form ‘a sufficiently clear and precise knowledge of the underlying deviating system of relevances’.” (TDW, p.6)
» cf. Worked Examples (J.P. Gee)
Of de menswetenschappen al dan niet een niche binnen het autonome veld van de wetenschap innemen of eerder als een autonoom veld op zich dienen te worden bekeken is een discussie die ik hier niet wens te voeren.
Source:
informationr.net